Die veiligheid staat onder druk, maar niet om de reden die vaak wordt genoemd.
Het ligt niet primair aan ‘de complexiteit van de casuïstiek’. Het ligt aan hoe we de rol hebben ingericht.
We hebben een functie gebouwd rondom woorden als: melden, slachtoffer en beklaagde. En precies die woorden doen iets in het brein. Ze zetten het systeem meteen in de stand van: risico, positie kiezen en juridische reflex. Nog voordat er een gesprek heeft plaatsgevonden. En daar staat de vertrouwenspersoon middenin. Niet als begeleider van een gesprek, maar als onderdeel van een proces dat al op scherp staat. Dan wordt veiligheid voor de vertrouwenspersoon per definitie ingewikkeld; die veiligheid is fragiel. Niet omdat de rol zwak is, maar omdat de context dat vaak wel is.
Wat je ziet is dat de vertrouwenspersoon veiligheid moet brengen in een systeem dat die veiligheid zelf nog niet organiseert. Dat is de kern.
Wat zie je in de praktijk gebeuren?
En daar zit iets interessants, want de vertrouwenspersoon wordt vaak gezien als oplossing, maar komt terecht in een omgeving waar het probleem al vastzit.
Drie dingen die elkaar versterken:
In de kranten staat veelal dat vertrouwenspersonen onder druk komen te staan als ze hun rol te ruim pakken. Dit klopt. Er zijn zelfs recente juridische uitspraken waarin vertrouwenspersonen worden teruggefloten als ze buiten hun rol treden, bijvoorbeeld als zij zelf onderzoek gaan doen.
Maar dit is de nuance die vaak ontbreekt in dat soort berichten: het probleem is niet dat de rol ‘te ruim’ wordt gepakt, het probleem is dat de organisatie de rol te smal definieert.
Want:
Op sociale media lees je vaak dingen als ‘het bijstaan van de beklaagde’, maar deze framing klopt niet. Want als je iemand ‘beklaagde’ noemt:
Terwijl de kern juist zou moeten zijn:
Dat vraagt niet ‘bijstaan’: dat vraagt het begeleiden van interactie. En dat is iets heel anders.
In welke valkuil moet een vertrouwenspersoon niet stappen?
Rolvast blijven op papier en daarmee irrelevant worden in de praktijk. Of anders gezegd: je wordt geen onderzoeker, maar je mag ook geen passieve luisterlijn worden.
Andere valkuilen:
Tot slot de grootste valkuil: je laten reduceren tot een meldpunt. Dan gebeurt er dit: je wacht tot iemand komt; je registreert; je verwijst en denkt dat je neutraal bent. Maar in werkelijkheid ben je onderdeel geworden van een reactief systeem.
Hoe kunnen we de veiligheid van de vertrouwenspersoon beter borgen?
Niet door de rol kleiner te maken, maar juist door ’m anders te positioneren: van meldpunt naar gesprekspartner, waarbij contact genormaliseerd wordt.
Niet alleen bij problemen, maar juist daarvoor. En niet met nóg een protocol. Dat werkt niet.
Wat wel werkt (en dit is waar het vaak schuurt):
De vraag is eigenlijk niet: hoe beschermen we de vertrouwenspersoon?
De vraag is: waarom maken we een rol die veiligheid moet brengen in een systeem dat zelf nog niet veilig genoeg is?
Zolang we die vraag ontwijken, blijft de vertrouwenspersoon balanceren. En precies daar zit het verschil tussen een reactieve functie en de proactieve vertrouwenspersoon die beweging brengt.